Roeland Byl
Opinie

23/05/14 om 12:00 - Bijgewerkt om 12:00

ASO-debat is een schijngevecht

De onderwijshervorming biedt de N-VA stevige electorale munitie. Toen Bart De Wever op zijn verkiezingscongres eind april stelde dat "met de N-VA het aso niet wordt afgeschaft" omdat de kinderen het beste onderwijs verdienen, reikte hij de hand naar de duizenden leraars die afkerig staan tegen de aanslepende hervormingsplannen van de Vlaamse regering.

De andere regeringspartijen, CD&V op kop, verweten de Vlaams-nationalisten inconsequentie. In juni vorig jaar bereikte de Vlaamse regering - inclusief N-VA - een compromis over de onderwijsplannen van minister Pascal Smet (sp.a). Toen al was duidelijk dat de echte afrekening pas na de verkiezingen zou volgen. Als de electorale koorts is gezakt, komt de onderwijshervorming weer op tafel.

De discussie over het weghalen van de beschotten tussen aso, tso en bso is daarbij eigenlijk een non-issue. De aanpassingen gaan niet over het wegsnijden van Latijns-Grieks als studierichting. Een stijgend aantal leerlingen haalt een aso-diploma waaraan ze niets hebben op de arbeidsmarkt. Het watervaleffect - leerlingen die sterk beginnen om vervolgens af te zakken - vergroot tegelijk het aantal gedemotiveerde leerlingen in de technische scholen. Daar moet de volgende onderwijsminister hoe dan ook iets aan doen. In een kenniseconomie is de ruime beschikbaarheid van goed opgeleid menselijk kapitaal essentieel.

Cruciaal is daarbij de kwaliteit van het lerarenkorps. Onlangs bleek uit academisch onderzoek dat de lerarenopleiding voor verbetering vatbaar is. Het onderwijs heeft betere leraars nodig. Maar de twee maatregelen die dat kunnen bevorderen, dreigen de onderwijswereld op zijn kop te zetten: het opgeven van de vaste benoeming en een toelatingsproef voor de lerarenopleiding. Het is maar de vraag hoeveel die elementen meespelen als iemand in het stemhokje zijn keuze steunt op de vraag of het aso al dan niet moet verdwijnen.

Onze partners